Lees eerst maar deel 1 :)
Toen 1993 koud begonnen was, emigreerde ik naar La Gomera. Een klein eilandje ten zuiden van Tenerife, waar altijd de zon schijnt, maar met weinig toerisme. Ik had twee werkwoordrijtjes uit mijn hoofd geleerd (hebben en zijn) en dure woordenboeken gekocht. Verder zou ik me wel redden, dacht ik. Dat bleek aardig te kloppen. In het begin praatte ik met iedereen die me langer dan 2 seconden aankeek. Dat is wat overdreven maar je snapt wat ik bedoel. Elke dag leerde ik meer van de taal en van de op Zuid-Amerika gerichte cultuur. Toen we met een stel jonge gasten door een paar valleien zouden gaan lopen, speelde mijn taalachterstand me toch even parten. We spraken af om 12 uur. Omdat ze de letter S nauwelijks uitspreken, klonk dat als 2 uur. Ze hadden tot 13:00 op me gewacht en waren toen maar zonder mij vertrokken. Tegen tweeën kwam ik aanlopen en iemand vertelde me dat ze al een uur geleden weg waren gegaan. Ik besloot om dezelfde richting uit te lopen. Wat natuurlijk overmoedig was. Op de plek waar de bewoonde wereld ophield, rook ik ineens koeien…
El matadero
Ik geloofde mijn eigen neus niet. “There ain’t no cows on La Gomera!”, schaterde ik tegen mezelf. Ik wilde weten waar de lucht vandaan kwam en wat bleek? Daar was het slachthuisje van de slagers. MATADERO stond in blokletters op de gevel. Ik kwam bij het toegangshek en zag ze staan: 6 sappige stieren.
Er was net een jongen bezig om een pas gedood varken schoon te schrobben. De huid werd gespoeld en met een vulkaansteen schoongeschuurd. Er kwam een man naar het hek. Of ik naar binnen wilde. Enthousiast liet hij alles aan me zien. Elke vrijdag arriveerden er een stuk of 6 stieren in de haven, om de dinsdag erna geslacht te worden. Daar kwam het rundvlees op het eiland dus vandaan. “Waarom niet?”, dacht ik, toen hij me vroeg of ik dinsdagochtend wilde komen kijken…
En zo stond ik op de vroege morgen van stierenslachtdag de routine van de slagers te bewonderen. Met laarzen aan. De gedoemde stier werd over de kleine patio de slachterij ingeleid. Dat was een kale ruimte met hijskettingen aan het plafond en bloedgoten in de vloer. Hij werd voor de zekerheid vastgezet aan een dikke pilaar in het midden. Een dolle stier, daar heeft immers niemand wat aan. Met een bijna charmante precisie joeg een van de slagers een speciale stierendolk in de nek, recht achter de kop. Op slag verlamd, zeeg de stier blazend ineen, waarna een andere slager een lang mes door het hart stak. Het ging allemaal vrij snel. De dood kwam vlak na de verlamming. Een deel van het dampende bloed werd opgevangen voor worst. Rrrrrrrrrsssss, klonken de kettingen als hij aan de poten werd opgetakeld. Met scherpe messen vilden en ontleedden ze het machtige beest. Het was een geoliede machine, zonder westerse haast.
Ze vroegen of ik het ook wilde leren. Ik vond het een eer en het leek me erg stoer. Trots nam ik de uitnodiging aan en ze legden me uit me hoe het moest. Het ging om precisie en timing, om kracht en focus en om afwezigheid van angst. Bam! Daar gingen ze. De een na de ander. Ik kreeg snel de slag te pakken. Dit was de natuur, zo voelde het. Doden, om het vlees te kunnen eten. Na een week of zes vond ik het wel genoeg geweest. Ik sloeg de ervaringen op als verrijking. Ik had een andere kant van mezelf leren kennen. En ik had vriendschap gesloten met een stel bijzondere mannen. Stoere mannen met een oud en universeel ambacht.
Het voorval met de Duitser
Er was op het eiland trouwens ook een über-romatische Duitser, die dacht dat hij hippie kon worden. Zijn plan om met zijn gezin op een afgelegen strand te gaan wonen en er te leven ‘van de zon en de zee’ liep natuurlijk op niets uit. Je zag dat zijn Spaanse vrouw en jonge kinderen eraan onderdoor gingen. Tegenspraak duldde hij niet. Ik had hem ontmoet in een bar en hij dacht dat ik als Nederlander als vanzelfsprekend kilo’s hash bij me droeg of tenmínste ergens had verstopt. Toen hij uiteindelijk weer in het dorp wilde gaan wonen, leende ik hem na veel gezeur de eerste maand huur. Die betaalde hij nooit terug. En werken, ho maar. In bars dronk hij op de pof. Overal. Op een avond was ik het zat. Ik nam hem mee naar het afgelegen strandje en doorzeefde hem. Later bleek dat hij het voorval overleefd had. Op de plek zijn 14 identieke kogelhulzen gevonden en ze hebben er maar 13 uit zijn lichaam verwijderd. Niet dat het me zoveel interesseert, maar het blijft natuurlijk vreemd.