Briesende have

Vlak na mijn studie had ik wat extra geld nodig. Ik heb dat toen in 1 klap bij elkaar verdiend als hitman. Daarna moest ik echter wel een tijdje onderduiken. Het was zomer 1992 en ik raakte verzeild in Doetinchem of all places. Ver van het wilde westen kon ik onopvallend een beetje aanklooien.

Doetinchem

Nog af en toe denk ik aan de wekelijkse veemarkt. De plek waar boeren uit de hele omgeving samenkwamen om hun vee te verhandelen. Het had een betoverende aantrekkingskracht. De knoestige mannen die jaar-in-jaar-uit en door weer en wind zwoegden op het land en in hun stallen. Die aardappels rooiden en hielpen bij het kalven. Met handen als kolenschoppen en dikke sigarenpeuken in hun mondhoeken. Ze droegen grauwwollen sokken in hun klompen en ze spraken een weerbarstig dialect. Het vee en hun mest roken sterk en stoer. Stevige koeien, forse stieren, vette dikbildames en knokige pinken. Af en toe briesend, dan weer lijzig herkauwend.

De Veemarkt

Er was één café waar de boeren traditiegetrouw hun handel administreerden: Café De Veemarkt. Altijd blauw van de rook. De vloer was van kaal geschuurd hout en lag vol met zand, mestresten en peuken. Er werd luid gepraat, veel gedronken en iedereen at er gehaktballen. Ik was er niet welkom, maar omdat ik er telkens toch weer aan de bar ging hangen, werd ik er geduld. Waarschijnlijk omdat ik kopstoten dronk - zodat ze zagen dat ik geen stille of ambtenaar was. Misschien omdat ik uitstraalde dat ze niet met me moesten dollen.

Op den duur raakte ik met de een na de ander aan de praat. De gesprekken waren meestal kort en oppervlakkig. Ze roken aan me en duldden me op de dinsdagen in hun roedel. Van dat café, de gehaktballen, die noeste boeren en het loeiende vee ben ik gaan houden. For the time being. Begin 1993 ben ik uitgeweken naar een ver subtropisch oord. Daar kwam ik opnieuw in aanraking met stieren. 

Een ver subtropisch oord

Toen 1993 koud begonnen was, emigreerde ik naar La Gomera. Een klein eilandje ten zuiden van Tenerife waar altijd de zon schijnt en met weinig toerisme. Ik had twee werkwoordrijtjes uit mijn hoofd geleerd (hebben en zijn) en dure woordenboeken gekocht. Verder zou ik me wel redden dacht ik. Dat bleek te kloppen. In het begin praatte ik met iedereen die me langer dan 2 seconden aankeek. Dat is wat overdreven maar je snapt wat ik bedoel. Elke dag leerde ik meer van de taal en van de op Zuid-Amerika gerichte cultuur.

Nieuwe vrienden

We zouden met een stel jonge gasten door een paar valleien gaan lopen. Om 12 uur spraken we af. Maar omdat ze in dit dialect de letter S nauwelijks uitspreken, klonk dat als 2 uur. Ze hadden een uur op me gewacht en waren daarna zonder mij vertrokken. Toen ik om 14:00 uur kwam aanlopen, waren ze dus al een uur weg. Ik besloot om dezelfde richting uit te gaan. Wat natuurlijk overmoedig was. Op de plek waar de bewoonde wereld ophield, rook ik ineens koeien…

'Matadero'

Ik geloofde mijn eigen neus niet. There ain’t no cows on La Gomera!, schaterde ik tegen mezelf. (Ja, zo ging het echt.) Ik wilde weten waar de geur vandaan kwam en wat bleek? Daar was het slachthuisje van de slagers. MATADERO stond in blokletters op de gevel. Ik kwam bij het toegangshek en daar zag ik ze staan: 6 sappige stieren.

Een jongen was bezig om een vers gedood varken schoon te schrobben. De huid werd gespoeld met water uit een tuinslang en schoongeschrobt met een poreuze vulkaansteen. Er kwam een man naar het hek. Of ik misschien naar binnen wilde? Ja leuk! Enthousiast liet hij alles aan me zien. Elke vrijdag arriveerden er een stuk of 6 stieren in de haven, om de dinsdag erna geslacht te worden. Daar kwam het rundvlees op het eiland dus vandaan. De man vroeg of ik die dinsdagochtend wilde komen kijken en ik dacht: Waarom niet?

Dampend bloed

En zo stond ik op de vroege morgen van stierenslachtdag de routine van de slagers te bewonderen. Met laarzen aan. De stier die aan de beurt was, werd over de kleine patio de slachterij ingeleid. Dat was een kale ruimte met hijskettingen aan het plafond en bloedgoten in de vloer. Hij werd voor de zekerheid vastgezet aan een dikke pilaar in het midden. Een dolle stier, daar heeft immers niemand wat aan. Met een bijna charmante precisie joeg een van de slagers een speciale stierendolk in de nek, recht achter de kop. Op slag verlamd zeeg de stier briesend ‘door zijn hoeven’, waarna een andere slager een lang mes door het hart stak. Het ging allemaal vrij snel. De dood kwam vlak na de verlamming. Een deel van het dampende bloed werd opgevangen voor worst. Rrrrrrrrrsssss, klonken de kettingen als hij aan de poten werd opgetakeld. Met scherpe messen vilden en ontleedden ze het machtige beest. Ze werkten als een geoliede machine, zonder westerse haast.

Ze vroegen of ik het ook wilde leren, dat stierendoden. Ik vond het vreemd, maar ook een eer en het leek me erg stoer. Trots nam ik de uitnodiging aan en ze legden me uit me hoe het moest. Het ging om precisie en timing, om kracht en focus en om afwezigheid van angst. Bam! Daar gingen ze. De een na de ander. Ik kreeg snel de slag te pakken. Dit was de natuur! Zo voelde het. Doden, om het vlees te kunnen eten. Na een week of zes vond ik het wel genoeg geweest. Ik sloeg de ervaringen op als verrijking. Ik had een andere kant van mezelf leren kennen. En ik had vriendschap gesloten met een paar bijzondere mannen en met een oud en universeel ambacht.

Het voorval met de Duitser

Er was op het eiland trouwens ook een über-romatische Duitser, die dacht dat hij hippie kon worden. Zijn plan om met zijn gezin op een afgelegen strand te gaan wonen en er te leven ‘van de zon en de zee’ liep natuurlijk op niets uit. Je zag dat zijn Spaanse vrouw en jonge kinderen er langzaam aan onderdoor gingen. Tegenspraak duldde hij niet.

Ik had hem ontmoet in een bar en hij dacht dat elke Nederlander als vanzelfsprekend kilo’s hash bij zich droeg of tenmínste ergens had verstopt. Toen hij uiteindelijk weer in het dorp wilde gaan wonen, leende ik hem na veel gezeur de eerste maand huur. Die betaalde hij nooit terug. En werken, ho maar. In bars dronk hij op de pof. Overal.

Op een avond was ik het zat. Ik nam hem mee naar het afgelegen strandje en doorzeefde hem. Later bleek dat hij het voorval overleefd had. Op de plek zijn 14 identieke kogelhulzen gevonden en ze hebben er maar 13 uit zijn lichaam verwijderd. Niet dat het me zoveel interesseert, maar dat blijft natuurlijk vreemd.

Vorige
Vorige

Blog

Volgende
Volgende

Van Xocolatl naar... Chocoladecake